Koen Van Roey groeide op in een gezin waar hard werken vanzelfsprekend was, maar waar niemand hem echt kon tonen welke richting hij uit kon. Op school vond hij moeilijk zijn plek en hij stopte uiteindelijk zonder diploma. Wat hij toen vooral miste, was iemand die benoemde wat hij wél kon. Vandaag staat hij aan het hoofd van JINC België, een organisatie die jaarlijks meer dan 5.000 jongeren helpt om hun talenten te ontdekken en hun weg te vinden naar de arbeidsmarkt. In alles wat hij doet, zit één overtuiging vervat: dat het zien en benoemen van talent het verschil kan maken tussen afhaken en vooruitgaan.
Hard werken
Koen komt uit een gezin waar hard werken centraal stond, een familie van groothandelaars in aardappelen. “Mijn vader is op zijn veertiende beginnen werken en stond ’s ochtends om vier uur op de vroegmarkt. Mijn moeder heeft haar middelbare school afgemaakt, maar niet verder gestudeerd. Ze vonden onderwijs belangrijk, absoluut, en ze hebben ons altijd gesteund met veel liefde, maar de handvaten om ons daarin te begeleiden, die waren er niet.”
Op school zat hij ergens tussenin, geen slechte leerling, maar ook geen uitblinker. “Ik hing zo tussen de middenmoot en de staart. Ik moest hard werken om mee te zijn, en dat deed ik ook, maar zonder echt te weten waar het naartoe moest.” Hij ging naar de technische school en volgde elektrotechniek. “Ik was handig, speelde graag met elektrische treintjes, dus dat leek logisch. En plots was ik de primus van de klas. Dan stel je je achteraf wel vragen.” Toch voelde hij zich er nooit helemaal op zijn plaats. “Ik had vrienden, maar ik voelde weinig aansluiting. Ik was vooral bezig met de jeugdbeweging, het jeugdhuis, organiseren, sociaal bezig zijn, mensen samenbrengen, daar kreeg ik energie van.”
“Gij zijt slim”
Tijdens zijn stage begon het te wringen. “Ik weet nog dat ik daar stond en dacht: als dit het is wat ik de rest van mijn leven moet doen, dan komt dat niet goed. Maar ik zag geen alternatief. Dat is misschien nog het moeilijkste: niet weten waar je wél naartoe kunt.” Hij stopte uiteindelijk met school, zonder diploma. “Ik heb dat misschien zelfs een stukje gesaboteerd, uit angst om het af te maken en dan vast te zitten in iets wat ik niet wilde doen. Dat besef ik achteraf.”
Via een gesubsidieerd jongerencontract kwam hij terecht bij Electrabel, als magazijnier. “Dat was mijn eerste job. En eigenlijk deed ik dat goed. Ik had een werkattitude, dat had ik van thuis meegekregen. Op tijd komen lukte nog niet altijd,” lacht hij, “maar werken wel.”
Na een paar maanden sprak zijn leidinggevende hem aan. “Die zei tegen mij: ‘Wat doe jij hier eigenlijk? Gij zijt slim.’ Dat was de eerste keer in mijn leven dat iemand dat tegen mij zei.” Hij blijft even stil. Jaren later zocht hij die man opnieuw op, Donald, om hem te laten weten dat hij toen iets in gang heeft gezet.
Aaneenschakeling van toevalligheden
Na zijn periode bij Electrabel beslist Koen om opnieuw te studeren. Hij slaagde voor het ingangsexamen en begon aan de opleiding sociaal werk in Gent. “Mijn eerste jaar ging vlot, ik haalde goede resultaten en dat gaf mij een enorme boost en zelfvertrouwen. Maar dan kwam het leven ertussen. Ik leerde mijn toenmalige vrouw kennen, we kregen snel een kind, en ik dacht: ik neem even pauze. Ik ben nooit terug gestart.”
Later ging hij aan de slag in de zorg, als begeleider van volwassenen met een mentale beperking die zelfstandig wonen. “Dat heb ik vijf jaar gedaan, en dat was waardevol werk. Mensen begeleiden, structuur geven, samen koken, samen dingen doen. Maar ook daar voelde ik: dit is niet het eindpunt.”
De volgende stap ontstond opnieuw toevallig. “Ik werkte ook in de horeca, en op een avond bediende ik een tafel waar iemand zat die ik kende van vroeger. Ze waren daar aan het vergaderen en ik hoorde hen praten en dat klonk interessant.” Het bleek te gaan om een sociaal economiebedrijf, Manus. Diezelfde avond solliciteerde Koen met een handgeschreven brief. Kort daarna kon hij starten. Bij Manus vond Koen voor het eerst iets wat dichter ligt bij wie hij is. “Ik kreeg de kans om te werken met mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en hen een eerste werkervaring te geven. Eigenlijk deed ik daar wat ik destijds als jongere zelf gemist had.”
Hij groeide door en werkte met jongeren tussen 18 en 25 jaar. “Ik zag die jongeren binnenkomen en hun verhalen leken telkens opnieuw op elkaar. Geen diploma, verkeerde keuzes, te weinig begeleiding. En ik begon mij af te vragen: waarom wachten we tot het fout loopt?”
Struikelen voorkomen
“Ik ben beginnen nadenken, ideeën opschrijven op bierkaartjes, in schriftjes overal. Over hoe we jongeren vroeger kunnen bereiken en vooral hoe we dat struikelen kunnen voorkomen.”
Die ideeën blijven lange tijd ideeën. “Binnen de organisatie waar ik werkte, was er enthousiasme, maar ook altijd de realiteit van beperkte budgetten en prioriteiten. En dat snap ik. Maar het bleef knagen.”
Tot hij, via een opdracht voor de stad Antwerpen rond onderwijs, in contact kwam met JINC in Nederland en Daniël Roos, de toenmalige directeur. “Ik dacht: dit zijn mijn bierkaartjes. Alles wat ik al jaren opschreef, bestond al.” Dat moment was beslissend. “Ik voelde: hier moet ik iets mee doen.”
Stoute schoenen
Koen stuurde een mail en kreeg een afspraak. “Dat eerste gesprek was bijzonder. Ik stelde heel veel vragen, en op een bepaald moment zei Daniël: ‘Koen, wat kom jij hier eigenlijk doen? Kom je hier ideeën stelen of wil je samenwerken?’”
Hij lacht. “Ik wist het zelf eigenlijk niet, maar ik wist wel dat dit verhaal naar Antwerpen moest komen. Dat was mijn focus. In Antwerpen verlaat 1 op de 5 jongeren de schoolbanken zonder diploma in handen, in kwetsbare wijken stijgt dit cijfer zelfs naar 1 op 3. Ik vind het vreselijk hoeveel talent verloren gaat in mijn geliefde stad, ik wilde strijden voor een systeem waar niet je achtergrond, maar je talent je toekomst bepaalt.
Daarna ging het snel. “In oktober 2019 had ik mijn eerste gesprek, en in december lag het idee op tafel om in Antwerpen te starten. Ik moest een school zoeken, bedrijven betrekken en in gesprek gaan met de politiek. Op 3 maart 2020 organiseerde Koen een eerste pilootproject, met een dertigtal jongeren, scholen en bedrijven. “Dat was een fantastisch moment. Je voelde: dit werkt.”
Tien dagen later ging het land op slot. Corona zette alles onder druk. Vanuit Nederland kreeg hij te horen dat ze het project in Antwerpen moesten stopzetten. Maar hij bleef doorzetten, belde rond, zocht middelen en overtuigde. “Het waren moeilijke maanden, want niemand had tijd of ruimte. Maar tegelijk maakte corona de problematiek van heel wat jongeren zichtbaar. Leerkrachten zagen plots hoe jongeren thuis leefden, en dat raakte mensen.”
Magie
Langzaam kwam er beweging. “Ik kreeg een pilootsubsidie van de stad Antwerpen: 40.000 euro en wat extra middelen van bedrijven. Het was net genoeg om mijn loon te betalen en te starten.”
In januari 2021 ging JINC België officieel van start. “Mijn doel was toen: 120 jongeren bereiken. Het leek ambitieus.”
Vandaag begeleidt JINC België jaarlijks meer dan 5.000 jongeren in Antwerpen, Mechelen en Turnhout, met een team van acht voltijdse medewerkers en een netwerk van professionals uit bedrijven die mee hun schouders onder de projecten zetten. “Er zijn dagen dat ons personeelsbestand vertienvoudigt, omdat al die mensen uit bedrijven mee aan de slag gaan met onze jongeren.”
De werking van JINC is opgebouwd rond verschillende projecten, zoals de bliksemstages, waarbij jongeren al vanaf acht jaar in contact komen met de arbeidsmarkt. “Wat wij doen, is jongeren laten proeven van beroepen, werkomgevingen en van mogelijkheden. Maar het gaat over meer dan dat. Het gaat over verbinding.”
Hij legt uit hoe dat werkt. “Wij brengen leerkrachten, bedrijven en jongeren samen. En tijdens die ontmoetingen gebeurt er iets. Dat is waar de magie zit.” Hij gebruikt dat woord bewust. “Een professional die zegt tegen een jongere: ‘Dat heb je goed gedaan.’ En je ziet die jongere groeien. Dat is wat mij elke dag drijft.”
De kracht van woorden
Op het einde van het gesprek vertelt Koen over een leerkracht in het middelbaar. “Hij heeft toen voor een volle klas gezegd: ‘Gasten zoals gij zijn alleen goed voor de goot’. Ik herinner me zelfs hoe die man rook.”
Die zin heeft hem jarenlang achtervolgd. Het heeft ook een soort van bewijsdrang in hem aangewakkerd. “Maar sinds ik met JINC bezig ben, is dat weg.”
Hij kijkt even naar buiten, zoekt zijn woorden. “Maar ik herinner me vooral die andere zin: ‘Gij zijt slim’” En hij glimlacht. “Mijn levenswerk is eigenlijk simpel: ervoor zorgen dat zoveel mogelijk jongeren vooral die tweede zin horen, en niet de eerste.
Even later voegt hij er nog aan toe: “Ik zie nog te veel jonge gasten rondlopen zoals ik toen. Andere namen maar hetzelfde verhaal. En ik denk: we mogen dat niet laten gebeuren.”