“Ik heb mezelf niet heruitgevonden, ik ben mezelf aan het terugvinden.”

“Ik heb mezelf niet heruitgevonden, ik ben mezelf aan het terugvinden.”

Céline 

Baele

Arbeids- en organisatiepsycholoog

Céline Baele (35) is arbeids- en organisatiepsycholoog, moeder en ondernemer in wording. Wat begon als een academische zoektocht naar morele stress in organisaties, werd na een kankerdiagnose een diep persoonlijk traject. Vandaag beweegt ze tussen ziek en gezond, denken en voelen, binnen en buiten. In die tussenruimte groeit haar levenswerk. Geen verhaal van overwinning, maar van vertraging, zoeken en opnieuw leren leven. 

“Ik ben afgestudeerd als arbeids- en organisatiepsycholoog en alles ging vrij goed. Mijn studies liepen vlot, ik had goede resultaten, en ik had altijd het gevoel dat als ik ergens voor ging, dat het ook lukte. Alsof er weinig weerstand zat op dat pad. Ik was professioneel bezig met het thema morele stress, dat gaat over situaties waarin mensen niet kunnen handelen in lijn met wat zij zelf als juist of waardevol ervaren. Bijvoorbeeld een zorgverlener die voelt dat hij niet de zorg kan geven die hij wil geven, door omstandigheden, door tijdsdruk, door systemen. Dat soort stress gaat dieper dan klassieke werkdruk, omdat het raakt aan wie je bent als mens. Dat thema heeft mij altijd gefascineerd, omdat het gaat over zingeving en over emoties op het werk, en over hoe we als maatschappij vaak nog doen alsof die emoties daar niet thuishoren, terwijl ze net een essentieel onderdeel zijn van kwaliteit, betrokkenheid en zorg.”

“Alleen kende ik dat lange tijd vooral vanuit mijn hoofd, vanuit onderzoek en vanuit gesprekken met anderen. Tot mijn eigen lichaam op een bepaald moment begon te zeggen dat het niet meer ging.”

Van de autostrade geslingerd

“Wat aanvoelde als vermoeidheid, misschien een burn-out, bleek uiteindelijk borstkanker. En dat moment is moeilijk te beschrijven, maar het beeld dat voor mij het meest klopt, is dat van iemand die aan volle snelheid op de autostrade rijdt, samen met iedereen rond zich. Je zit in dat ritme, je gaat vooruit, je hebt plannen, je weet waar je naartoe wil. En dan, zonder waarschuwing, word je eraf geslingerd. Je staat plots aan de kant, je auto rookt, je weet niet goed wat er gebeurd is, en terwijl jij daar staat, blijft iedereen gewoon doorrijden.”

“Dat is een heel vreemd en confronterend gevoel, omdat je tegelijk beseft dat de wereld niet stopt, terwijl jouw wereld volledig stilvalt. En op dat moment heb je eigenlijk twee mogelijkheden. Ofwel blijf je kijken naar die autostrade, naar hoe anderen blijven doorgaan, naar hoe snel alles gaat, en dan komt heel snel de vraag: hoe ga ik ooit nog terug invoegen? Geraak ik daar ooit nog terug op? En wil ik dat eigenlijk nog? Ofwel kijk je rond, en zie je dat er naast die autostrade ook andere paden zijn. Landweggetjes, trager, minder rechtlijnig, minder duidelijk misschien, maar wel dichter bij wat er op dat moment mogelijk is. En ik heb, misschien niet eens bewust, maar gaandeweg wel gekozen om dat landweggetje op te gaan.”

Overgave

“Er zit in ons denken over ziekte vaak een heel sterk idee van vechten, doorzetten en overwinnen. En dat zit ook in de taal die we gebruiken, alsof het een strijd is die je moet winnen. Maar voor mij voelde dat niet zo. Wat mij erdoor heeft geholpen, was eerder een vorm van overgave. Dat gaat niet over opgeven, maar over erkennen wat er is, loslaten wat je niet kan controleren en heel bewust kijken naar waar je nog wel invloed op hebt.”

“Dat is geen evident proces, want dat vraagt dat je voortdurend balanceert tussen hoop en angst. En dat is een mentale dimensie van ziek zijn waar eigenlijk verrassend weinig aandacht voor is, terwijl die enorm veel energie vraagt.”

Schriftjes

“In die periode is schrijven voor mij heel belangrijk geworden. Het werd een manier om mezelf bijeen te houden, om structuur te geven aan wat er gebeurde, om te proberen begrijpen en betekenis te geven. Ik heb schriftjes volgeschreven, letterlijk, en dat zijn vaak schriftjes die ik al jaren had liggen omdat ik ze mooi vond, maar nooit gebruikte. En plots waren ze allemaal vol.”

“Ik ben ook beginnen schrijven naar mijn dochter, vanuit de gedachte dat als het niet goed zou aflopen, er toch iets van mij zou blijven, iets tastbaars, iets dat zij later zou kunnen lezen. Dat zijn gedachten waar mensen vaak van weggaan, omdat ze te zwaar zijn, maar voor mij gaf het net rust om daar wel naartoe te gaan en die ruimte te geven.”

De tuin 

“Naast dat schrijven was er ook de tuin. Ik had het geluk dat ik buiten kon zijn, ook al was het maar om te zitten en te kijken. Ik kon niet wandelen, niet sporten, maar ik kon wel zien hoe iets groeide, hoe zaadjes uitkwamen, hoe de seizoenen hun werk deden. En er was dat moment waarop vrienden en familie met een grote groep in mijn tuin kwamen werken. Ze hebben alles omgespit, geplant, alles in orde gezet, terwijl ik daar zat en keek. Dat beeld van gedragen worden, van zorg die concreet wordt, van mensen die iets voor je willen doen, dat is mij heel hard bijgebleven.”

“Die tuin gaf mij ook iets van hoop, op een heel fysieke manier. Als je iets plant, dan geloof je dat er een morgen is. Dat is geen abstract idee meer, dat is iets dat je ziet gebeuren.”

De grijze zone

“Wat mij het meest heeft geraakt, is hoe weinig plaats er is voor wat er na ziekte komt. We denken als maatschappij nog heel sterk in termen van of-of: je bent ziek of je bent gezond, je werkt of je werkt niet, je functioneert of je valt uit. Maar er is een brede grijze zone waar eigenlijk weinig taal en weinig structuren voor zijn. Ik zit vandaag zelf in die zone. Ik kan werken, ik wil werken, ik heb expertise en ervaring, maar ik kan niet meer op dezelfde manier werken als vroeger, niet fulltime, niet in een continu hoog tempo, niet zonder gevolgen voor mijn lichaam. En dat maakt dat je eigenlijk tussen twee systemen valt. Je bent niet meer ‘ziek genoeg’ om volledig uit te vallen, maar ook niet ‘gezond genoeg’ om terug te passen in de klassieke verwachtingen van werk.”

Twee werelden

“Professioneel voelt het alsof ik tussen twee werelden leef. Enerzijds is er nog altijd mijn capaciteit, mijn interesse, mijn goesting om inhoudelijk bezig te zijn, om bij te dragen, om impact te hebben. Anderzijds is er mijn lichaam dat duidelijke grenzen aangeeft, en dat mij telkens opnieuw terugfluit wanneer ik die grenzen negeer.”

“Als ik vandaag werk zoals ik vroeger werkte, dan volgt er onvermijdelijk een terugslag. En dat betekent dat werk voor mij niet meer gaat over hoeveel ik kan doen, maar over hoe ik het kan organiseren op een manier die duurzaam is. Alleen is ons systeem daar nog niet op gebouwd. Werk wordt nog altijd sterk georganiseerd rond volume, voltijds engagement, voorspelbaarheid en continuïteit, terwijl herstel net gekenmerkt wordt door zoeken, proberen, soms vooruit en dan weer achteruit gaan.”

De kloof naar werk

“Wat daar nog bij komt, is dat er relatief weinig ondersteuning is voor mensen die na ziekte een andere richting willen uitgaan. Er bestaan trajecten voor re-integratie bij je eigen werkgever, maar als je voelt dat die context niet meer klopt, of dat je iets anders nodig hebt, dan wordt het plots veel moeilijker. Dan moet je zelf uitzoeken wat nog mogelijk is, hoe je dat vertaalt naar werk, hoe je dat bespreekbaar maakt. En dat is niet evident, zeker niet als je profiel vrij specifiek is, en de jobs die daarbij horen vaak intens en weinig flexibel zijn.”

“Dus wat je dan ziet, is dat mensen ofwel proberen terug te keren in een vorm die eigenlijk niet meer past, ofwel afhaken, ofwel zelf iets beginnen opbouwen zonder dat daar echt een kader voor is. Ik heb ervoor gekozen om te zoeken en te experimenteren en om te kijken wat er nog kan, maar ik besef heel goed dat dat veel vraagt, en dat niet iedereen die ruimte of die mogelijkheden heeft.”

Terug naar de kern

“Wat mij daarin richting geeft, is de natuur, omdat ik daar iets heb teruggevonden dat ik onderweg kwijt was geraakt. Niet alleen rust, maar ook een ander ritme en een andere manier van kijken. Ik voel vandaag veel sterker wat mijn lichaam aangeeft.. En ik wil dat ook meenemen in mijn werk, in hoe ik met mensen werk, in hoe ik trajecten vormgeef. Omdat ik geloof dat we als mensen nood hebben aan die verbinding met onze eigen natuur, en dat we ziek worden wanneer we daar te ver van af komen te staan.”

Floreren

“Als ik alles samenbreng, dan kom ik eigenlijk terug bij waar ik altijd al mee bezig was, maar nu vanuit een andere plaats. Hoe kunnen we mensen helpen om te floreren, met alles wat daarbij hoort, ook de kwetsbaarheid en de grenzen. Voor mij zit mijn levenswerk in die beweging en in het verbinden van wat ik heb geleerd als psycholoog met wat ik heb ervaren als patiënt, en dat verder verrijken met wat de natuur mij heeft geleerd. Ik wil bijdragen aan manieren van werken en leven waarin mensen niet voortdurend over hun grenzen gaan, maar waarin er ruimte is voor herstel, ritme en zingeving.”

Onderweg

“Ik heb mezelf niet heruitgevonden, want dat zou betekenen dat ik iemand anders geworden ben. Voor mij voelt het eerder als een proces van terugvinden, van laag per laag dichter komen bij wie ik eigenlijk ben, en misschien ook bij wat voor mij echt belangrijk is. Dat is zoeken, proberen, soms terugvallen, soms opnieuw beginnen. En misschien is dat ook wat een levenswerk is, iets dat zich blijft ontvouwen zolang je onderweg bent.”

Op de hoogte blijven als we nieuwe verhalen delen?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Meer verhalen?

Glenn

Planner-opvolger bij Ivago

“Ik ben hier begonnen achter de kar. En kijk waar ik nu sta.”

Ontdek

Patrick

Medewerker bij Ivago

“Ik kan op één hand de dagen tellen wanneer ik tegen mijn goesting ben komen werken.”

Ontdek

Guy

Hulpmeestergast in de renovatieploeg bij Weerwerk

“Hier heb ik geleerd wie ik ben”

Ontdek