Op haar 37ste gooide Femke Brosens het roer radicaal om. Ze zegde haar job in de marketingwereld op en werd cipier. Waarom ruilt iemand een glanzende, fancy kantoortoren in voor een aftandse, overbevolkte gevangenis? “Ik wilde bijdragen aan de samenleving. Hier heb ik elke dag het gevoel dat ik iets beteken voor andere mensen.”
“Ik werkte tien jaar in de marketingwereld. Mijn job vinkte alle vakjes af: een chique kantoortoren in Brussel, mooi loon, take-away koffies als pauze,… Ik deed het ook graag, zeker het creatieve luik. Maar gaandeweg ontdekte ik dat die commerciële en competitieve wereld niet de mijne is. Onze tijd is te kostbaar om vast te houden aan iets waarvan je voelt dat het niet meer jouw pad is. Ik voelde de aandrang om iets maatschappelijk relevant te doen, om verouderde systemen die steeds meer kwetsbare mensen in de problemen brengen te helpen herschrijven. Daarom ben ik sociologie gaan studeren. In het vak rechtssociologie ging het vaak over detentie, de situatie in de gevangenissen was ook voortdurend in het nieuws. Dat deed iets met mij.”
“Het begon eigenlijk als een soort van mini-onderzoek. Een experiment. Het overviel me zelf hoe graag ik cipier ben en hoeveel ik er uithaal. Ik doe veel meer dan mensen bewaken. De gesprekken met gedetineerden hebben mij al heel wat nieuwe, waardevolle inzichten gegeven. Deze job is best confronterend. Je leert jezelf heel goed kennen, je krijgt nieuwe inzichten. Ik ben op dat ene jaar enorm gegroeid als mens.”
“Veel stagiairs houden het maar een paar weken vol. Je volgt wel een opleiding, maar geen enkele theorie kan je echt voorbereiden op de realiteit in de gevangenis. Je weet pas echt hoe je je gedraagt en hoe je reageert bij je eerste shift. Maar ik vind het fijn om opnieuw de leerling te zijn. In mijn vorige job lagen de verwachtingen best hoog. In de gevangenis krijg ik de ruimte om te leren en fouten te maken. Ik word goed begeleid.”
“Wat me aangenaam verraste, is hoeveel ruimte ik krijg om mijn job zelf in te vullen. Uiteraard is een gevangenis een georganiseerde omgeving, met veel regels en procedures. Maar binnen dat kader is er vrijheid om mijn eigen weg te zoeken, mijn eigen aanpak te ontwikkelen en trouw te blijven aan mezelf.”
Geen ver-van-ons-bed-show
“Het blijft in België toch een taboe om een radicaal andere wending aan je professionele leven geven. (lachend) Zéker als je een stabiele, goedbetaalde job ruilt voor een job in de gevangenis. ‘Is het daar niet gevaarlijk?’ ‘Hoezo is dat zinvol? Weet je wel wat die criminelen gedaan hebben?’ Een gevangenis is voor de meeste mensen een mysterie. Daarom heb ik ook een boek geschreven, Dagboek van een cipier. De gevangenis is niet de ver-van-ons-bed-show die we er graag van maken. Op deze kleine plek worden alle maatschappelijke problemen vele keren uitvergroot: verslavingen, geldnood, psychische problemen,… Alles wat zich op straat afspeelt, is hier geconcentreerd op een heel kleine, overbevolkte oppervlakte. Dat wil ik tonen met mijn boek.”
“Wij weten als cipier niet waarvoor de gedetineerden veroordeeld zijn. Tenzij ze het ons zelf vertellen. Ik sta vaak op de werkposten: de wasserij, de bibliotheek,… Dan werk je een bepaalde periode altijd met dezelfde 7-8 mensen samen. Je hebt tijd voor een babbel. Soms komen gedetineerden me heel open vertellen waarom ze vastzitten, zelfs met iets te veel details naar mijn zin. Anderen blijven een gesloten boek.”
“Ik heb hier al beren van kerels in tranen zien uitbarsten. Ruige mannen waar ik op papier bang voor zou moeten zijn. Geen enkele verklaring praat goed wat ze hebben gedaan, medelijden moeten ze van mij niet verwachten. Empathie wel. En steun om te focussen op wat er wel nog kan en om de kansen te grijpen die nog zullen komen. De gedetineerden vragen geen vergiffenis of begrip, ze zoeken vooral een luisterend oor. Je kan iemands daden veroordelen en tegelijk de mens achter die daden zien. De mens die zijn familie mist of spijt heeft dat het zo gelopen is.”
“De gevangenis is niet het wij-tegen-zij-verhaal dat de samenleving ervan maakt: wij, de goeien, versus zij, de slechten. Zo zwart-wit is het niet. Dé crimineel bestaat niet. Er is niet zoiets als een ‘profiel’ van de gemiddelde gedetineerde. Geloof me, je ziet het niet aan mensen, hoor. Hier zitten bloedmooie, intelligente meisjes van 20 jaar. De wereld ligt aan hun voeten, ze kunnen worden wat ze willen, maar ze zitten in de gevangenis.”
“In ieder van ons schuilt een crimineel, zegt het cliché. Klopt dat? Ik weet het niet. Wat ik wel zeker weet, is dat er soms heel weinig nodig is om een hele reeks slechte keuzes in gang te zetten, uiteindelijk met dramatische gevolgen. Soms begint het met een autoverzekering die niet betaald is. Problemen escaleren, de ene fout wordt zwaarder bestraft omdat je al andere dingen op je kerfstok hebt, en op de duur groeit het allemaal boven je hoofd. Wie emotioneel uitgeput is en niet meer helder denkt, doet domme dingen. Ik weet nog dat ik na het werk eens naar huis ben gespurt. Hier slingeren toch geen onbetaalde boetes rond? Ik heb mijn belastingen toch netjes betaald?”
Binnen meer respect voor vrouwen dan buiten
“Empathie en menselijkheid tonen, wil niet zeggen dat ik over mij heen laat lopen. Ik heb vanaf dag één duidelijk mijn grenzen aangegeven. Gedetineerden testen cipiers, hé. “Chef, mag ik geen keertje extra douchen?” “Chef, mag ik nog eens opscheppen?” Maar het is zoals bij kinderen: geef ze een vinger en ze pakken je arm. Als ze doorhebben dat je niet van je laat profiteren, is het rap gedaan.”
“Ik heb me hier nog op geen enkel moment onveilig gevoeld. Ik werk hier een jaar en het enige moment dat ik echt bang ben, was toen ik een spin in de wc zag zitten. Ik voel me onveiliger als ik ’s ochtends heel vroeg in de stad ga joggen dan hier in de gevangenis. De sfeer op straat is voor een jonge vrouw vaak intimiderender dan binnen de gevangenismuren.”
“Op straat word ik geregeld nagefloten of nageroepen. Als ik een video online deelde op sociale media over mijn werk in de gevangenis heb ik de ene na de andere gortige reactie moeten verwijderen. “Het hoertje van de Begijnenstraat”, dat soort beledigingen. Dat zijn mensen die gewoon vrij rondlopen, hé. In de gevangenis grappen ze hoogstens een keer: ‘Moet je mijn voorkant ook niet fouilleren?’ That’s it? Je moet tegen een stootje kunnen, maar ik ervaar hier als vrouw meer respect dan buiten.”
Dankbaar voor kleine dingen
“Ik ben dankbaarder geworden door deze job, Ook voor de kleine dingen in het leven. Geloof me, in tegenstelling tot het populaire cliché is de gevangenis ab-so-luut geen hotel. Hier zijn drie douches per gang, voor 50 of zelfs 60 mensen. Er is een beurtrol om te douchen, gedetineerden kunnen maar om de twee dagen douchen. Tijdens een hittegolf besef je plots wat voor een luxe het is dat je gewoon onder de douche kan kruipen wanneer je oververhit en bezweet bent. In de Begijnenstraat moeten gedetineerden zich behelpen met een ventilator en het luikje van de celdeur dat open mag blijven staan.”
“Dat is ook de reden waarom ik zo graag een boek wilde schrijven over mijn ervaringen. Ik zie zoveel onwetendheid. ‘Laat ze maar wegrotten.’ Ik hoop dat mensen beseffen dat gedetineerden ook mensen zijn, die misschien niet eens zo heel erg verschillen van onszelf. Ja, ze verdienen een straf, maar nee, niémand wordt er beter van als we hen gewoon in een vergeetput stoppen.”
“Het is mijn ambitie om het beleid mee vorm te geven vanop het terrein. In de gevangenis staat het leven min of meer stil, maar de wereld daarbuiten evolueert wel razendsnel. Mensen komen hier binnen op het moment dat een brood anderhalve euro kost, tegen de tijd dat ze weer buiten gaan is dat 3 euro. Dat lijkt een onnozel detail, maar gedetineerden zijn amper voorbereid op het leven na hun straf. Ik wil mee de regels helpen herschrijven. Er zijn nog zoveel manieren waarop ik impact kan hebben.”